‘Die dialectsprekers zijn niet uit te roeien!’

Geschreven door Dyami Millarson

Men moet niet dialectsprekers willen uitroeien. Dat is immers zedelijk onwelvoegelijk en verderfelijk. Het behoud van het taalkundig erfgoed in Nederland is al ingewikkeld genoeg op zich. Men oppert vaak dat het economisch veel meer opbrengt om grotere talen te spreken, maar men vergeet hierbij dat elke taal economische baten met zich meebrengt. Internationalisering betekent ook localisering; internationale ontwikkeling is op velerlei manier met lokale ontwikkeling verbonden. Er mogen dus wel economische belangen gepaard gaan met grote talen, maar als men een beetje creatief is, dan valt er ook veel economische winst te behalen met kleine talen. Het vergt soms meer denkwerk om munten uit kleine talen te slaan omdat men bij die talen niet altijd de geijkte paden kan belopen, terwijl men dat vaak wel kan bij grote talen. Echter, dat is juist een prikkelende uitdaging omdat men zijn eigen weg moet banen. Ook valt zedelijk af te vragen: Moet het altijd wel om geld gaan? Moet geld onze keuzes dicteren? Of kunnen we ook nog zelf ons geluk bepalen? Hebben wij nog wel hogere waarden?

Hoewel elke taal geldelijke winst kan opleveren, is taal meer dan geldelijke winst. Elk mens kan geld opbrengen, maar de mens is toch meer dan dat alleen. Op zich is de geldelijke aanwinst bij ieder mens niet zo bijzonder, maar juist universeel, vooral als je ieder mens ziet als onderdeel van het geheel. Men kan zich zedelijk onwelvoegelijk afvragen: Wat brengt een invalide persoon de maatschappij economisch op? Echter, als men bij het menselijk aspect stilstaat dat deze ook een familie en vriendenkring heeft en dat diens familie en vriendenkring zich juist meer geneigd voelen om bij te dragen aan de maatschappij indien de maatschappij ook goed zorg draagt voor hun gehandicapte (klein)kind/partner/familielid/vriend, dan kan er toch niet aan getwijfeld worden dat het economisch – dan wel menselijk – beter is om een invalide persoon als een aanwinst te zien voor de economie en maatschappij. Iedere mens, daar hij verbonden is met het groter geheel, is onderdeel van onze maatschappij, en zo ook onze economie. Een enkele mens is een schakel in het groter netwerk en als een ‘zwakkere’ schakel slecht behandeld wordt, dan beïnvloedt dit het hele netwerk. De mens is derhalve een maatschappelijk wezen en niet slechts een economisch wezen met daaraan een prijskaartje geplakt. Zo is ook iedere taal onderdeel van onze maatschappij en daarmee onze economie.

Indien een kleine kwetsbare taal om zeep geholpen wordt, dan zal dit schokgolven teweegbrengen voor de gehele maatschappij waarvan het onderdeel was, en de maatschappelijke en economische nadelen hiervan zullen niet te overzien zijn, daar het mensen ontmoedigt en hun menselijke waardigheid afneemt, hetgeen men juist nodig heeft voor productiviteit, innovativiteit en creativiteit. Taalsterfte is bepaald niet bevorderlijk, evenmin is slechte behandeling van invalide mensen bevorderlijk voor ons volk en land, waarmee ik duid op de ecologische verhouding tussen mens en omgeving. Het is niet slecht alleen voor de mens, maar ook voor plant en dier, omdat onze slechte behandeling van taal en medemens tevens leidt tot gevolgen voor plant en dier. Dit heb ik benadrukt met het thema ‘natuurtaal’ en ‘Waddentaal’ tijdens onze publiciteit over het Schiermonnikoogs in 2018. Citaat van Omrop Fryslân: ‘Dyami Millarson uit Leeuwarden ziet een verband tussen biodiversiteit en taalkundige diversiteit.’ Ik heb ook het demotiverend effect van taalontkenning belicht in 2018 zoals beschouwd vanuit de hoek van het leren van de taal (lees hier). Daarnaast heb ik op dierendag 2018 het verband tussen menselijke taal en dier belicht (zie hier). Eveneens heb ik dit jaar de complexiteit achter het aloude verband tussen natuur en volksovertuiging belicht (zie hier). De verzwakking van de taalgeest, een door mij ontworpen taalfilosofische term die taal filosofisch als levende geest beschouwt en daarmee duidt op het hoger verband tussen taal en geest, heeft ongewenste invloed op de volksgeest (d.w.z. geest van het volk, geestelijk aspect des volks) en tijdgeest; deze negatieve psychologisch invloed vertaalt zich heel concreet naar verminderde volksgezondheid wat uiteraard negatieve financiële gevolgen met zich meebrengt, aangezien hoge ziektekosten door vermeerderde ziekte ongewenst zijn.

Hoe moeten we dus taalsterfte te lijf gaan? Dat doen we middels taalherstel (een woord dat eveneens door mij bedacht is). Wij moeten ons goed beseffen dat wat op het spel staat is de vloeiendheid in de talen, zoals het Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindeloopers. De vloeiendheid, die dreigt verloren te gaan, is het belangrijkste wat wij voor het taalherstel in ogenschouw dienen te nemen (zie hier). Het verlies van vloeiendheid gaan we te lijf door middel van het leren van talen in de vorm van taaluitdagingen (zie hier, hier, hier en hier). Ik schreef op mijn verjaardag in 2018 naar aanleiding van het slagen van mijn Oosterschellinger taalproject: ‘Et is mi slagget om et Aasters yn ien maand te learen wot un belangrike trogbraak for uus taalprojekt is in ik hoopje dot et to nie diskusjys yn ‘e maatschippi liede sol oer et feschil tussen taal in dialekt.’ (Lees hier het volledige artikel.) De uitdaging om de talen te leren bewijst tevens dat het om talen gaat (zie hier, hier, hier, hier, hier en hier). Ik bemerkte in 2018 tijdens het leren dat het echt vreemde talen voor mij waren ondanks mijn bekendheid met het Standaardfries en dat ze als zodanig geleerd moesten worden terwijl ze minstens even complex zijn als andere vreemde talen zoals het Duits en Engels. Wij garanderen kwaliteit op ons blog omdat wij veel kritiek op onszelf leveren (lees hier, hier en hier). Wij erkennen tevens de autoriteit van de oudere sprekers (lees hier, hier, hier en hier). Daarom nemen wij ook onze geschreven teksten gaarne met hen door. Onze overtuiging van het belang van zelfkritiek als uiting van nederigheid en de erkenning van de autoriteit van de ouderen komt voort uit de Chinese filosofie van het confucianisme die ik mij in de tempels van Hongkong, Taiwan en vasteland China in 2017 helemaal eigen gemaakt heb als vervolg op ons project van 2016. In het kader van de culturele uitwisseling van 2016 was 2017 het jaar van de culturele verdieping en met nieuwe culturele inzichten door onze wetenschappelijke analytische vergelijking en persoonlijke emotionele belevenis van de westerse en oosterse culturen hebben we ons plan, dat wij al in 2016 aangekondigd hadden (lees hier, hier, hier en hier), hervat om het Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindelooperste te leren. 2017 heeft ons de juiste inspiratie gegeven, waaruit we de moed geput hebben voor het nieuwe avontuur van 2018, en doordat ik me bijzonder geïnspireerd voelde door mijn drie reizen door Azië (Hongkong, Taiwan en vasteland China) was mij opeens duidelijk hoe we het leren van de drie talen moesten aanpakken, omdat ik nog nooit eerder in mijn leven in korte tijd 3 talen geleerd had en ik voorzag in 2016 al moeilijkheden gezien de enorme beperking in leermaterialen voor deze talen. Zowel Ken Ho en ik zagen het leren van deze talen zwaar in omdat het niet makkelijk was, zoals wij destijds al ondervonden, om aan leermaterialen te komen (wij konden natuurlijk wel boeken lenen van Tresoar, maar we wouden vooral boeken in eigen bezit hebben omdat dit voor de studie wel zo handig was). Wij wisten al dat de documentatie van deze talen beperkt was, waardoor wij het gevoel kregen dat wij even vast zaten na ons eerste Friese taalavontuur in 2016, en vandaar hadden we tijd nodig om te bezinnen en geestelijke inspiratie op te doen, hetgeen we vonden in de filosofisch stimulerende omgeving van de Chinese tempels die wij regelmatig bezochten in 2017 toen ik in Azië was. Plotseling viel de puzzel voor mij ineen en zag ik dus het pad dat wij in 2018 moesten belopen helder voor me. Alles is zo gelopen als het moest lopen. Dit is het lot, dat als water door de wereldboom waarin zowel mensen als Goden wonen, vloeit (Noords volksgeloof, lees Bauschatz, 1982: The Well and the Tree). Tijdens de opening van Leeuwarden 2018 waarbij de Koning aanwezig was, sprak ik met een man en hij wees me erop dat ik gebruik kon maken van boekwinkeltjes.nl. Dit heeft mij in 2018 geholpen bij de aanschaf van allerlei boeken om het Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindeloopers te kunnen leren. Ik werd ziek tijdens de opening van Leeuwarden 2018 en moest met de ambulance opgehaald worden. Echter, het moest allemaal zo zijn, omdat ik die man moest ontmoeten op dat plein om een gesprek met hem te voeren en ik moest nog eens gewezen worden op de kwetsbaarheid van ons menselijk bestaan, dat ik in 2018 meermaals bevestigd zou zien in de talen die ik wou bestuderen.

Toen wij de talen bestudeerden werd ons in 2018 langzamerhand goed duidelijk dat we niet met taalvarianten of dialecten te maken hadden, maar met volwaardige talen (zie hier, hier, hier, hier en hier) en dat onze kennis van het Fries sinds 2016 dit niet veranderde. Mijn overweging was dat als het Afrikaans een taal is ten opzichte van het Nederlands, waarom is het Oosterschellings, dat in een aantal opzichten lijkt op het Fries maar ook weer afwijkt net zoals het Afrikaans dat ook doet met het Nederlands, geen eigen taal? Ik kwam tot de slotsom dat als het Afrikaans een taal is, dan is ook het Oosterschellings een taal. Het Oosterschellings evenals het Schiermonnikoogs en Hindeloopers is erfgoed dat generaties ingenomen heeft om te ontstaan, en deze talen zijn verbonden met wereldbeelden die ik zoveel mogelijk getracht heb te belichten in 2018 (ik heb het gehad over het Oosterschellings als werktaal dat Friesch Dagblad jammer genoeg niet gepubliceerd heeft, het Schiermonnikoogs als natuurtaal dat o.a. De Telegraaf en Friesch Dagblad behandeld hebben, en het Hindeloopers als handelstaal dat ik in 2018 tijdens mijn toespraak te hindeloopen behandeld heb). Alpita de Jong verwoordde dit mooi tijdens onze ontmoeting in Leiden in 2018, en ze zei iets in deze strekking: ‘Wij hebben allerlei wereldbeelden als erfgoed uit de geschiedenis gekregen en mensen beseffen niet genoeg dat we dit moeten koesteren want het komt niet zomaar terug’. Zij moedigde het ook aan dat wij onderzoek doen op dezelfde manier als Halbertsma, en zij vond dat de huidige wetenschap iets mist door niet zo een brede kijk te hebben op taal als Halbertsma die allerlei dwarsverbanden zag die voor anderen destijds (en nu nog voor veel mensen) niet altijd duidelijk waren. Wij beaamden dit en vertelden dat wij alle Friese talen van Nederland (en in de toekomst ook die van Duitsland) leren om de dwarsverbanden te kunnen zien.

Door de talen in 2018 te leren kwam ik tot het besef dat deze talen al eeuwen gesproken worden en dat laatste sprekers, wier voorouders de talen sinds mensenheugenis van ouder op kind overgedragen hebben, spreken geen talen die zomaar ontstaan zijn, maar talen die een lange geschiedenis hebben – jammer genoeg veelal ons onbekend door gebrek aan geschreven bronnen – en die lange tijd ingenomen hebben om te ontstaan. Er zijn dus veel generaties overheengegaan voordat er Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindeloopers was, en dit was voor mij ook een doorslaggevende historische reden om de talen aan te merken als talen, inziende de waarde van zulke eigen taalontwikkeling gepaard gaande met cultuurontwikkeling. Ik begreep natuurlijk ook algauw dat het Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindeloopers niet uit het Standaardfries ontstaan zijn, maar hun eigen parallelle ontwikkeling ondergaan hebben. Ik beroep mij dus op de taalevolutie wanneer ik beweer dat het hier om 3 talen gaat. Er is historisch een evolutie geweest, wat ik duidelijk kon terugzien in de talen, en deze evolutie stond onafhankelijk van wat nu het Standaardfries is, daar deze gemeenschappen van oudsher apart zijn en afgescheiden geweest zijn van de Friezen die nu het Standaardfries spreken; het gaat hier om een eigen evolutionair pad dat reeds lang belopen wordt en deze evolutie liep parallel met ‘het Fries’, maar deze talen zijn niet ontstaan uit het Standaardfries. Ik moet hier eigenlijk benadrukken dat ‘het Fries’ als taal niet bestaat, dit is namelijk een te vage generaliserende term die eigenlijk slaat op een hele taalfamilie. Incorrect wordt naar het Standaardfries verwezen als ‘het Fries’, waardoor de verwarring ontstaan is dat ‘Oosterschellings, Hindeloopers en Schiermonnikoogs zijn ontstaan uit het Fries, daarom zijn het Friese dialecten’. Echter, met deze vage definitie van Fries slaat dat kant noch wal. Namelijk, men moet specificeren welk Fries er bedoeld wordt, en daardoor valt het verhaal uiteen dat Oosterschellings, Hindeloopers en Schiermonnikoogs Friese dialecten, niet Friese talen, zijn. Deze historische definitie van Fries als vage verzamelterm waaronder je alles mag scharen ongeacht eigen historische evolutie kan alleen maar leiden tot de conclusie dat we hier in Nederland een Friese taalfamilie hebben, niet een univorme enkele taal met een paar afwijkende dialectjes. ‘Afwijkend dialect’ slaat nergens op, omdat zoiets gewoon een taal is; een taal wijkt af, een dialect, zoals men het zich onder het volk voorstelt, komt juist enorm overeen, zelfs zodanig dat men het eigenlijk niet hoeft te leren en geen woordenboek en grammatica erbij nodig zou hebben. Dit is echter wel het geval bij het Oosterschellings, Hindeloopers en Schiermonnikoogs waarvoor men woordenboeken en grammatica’s nodig heeft om ze te leren spreken en schrijven.

Bovendien, en dit is nog het belangrijkste als sociale doorslaggevende reden om het als talen aan te merken, vinden de sprekers zelf dat ze vanouds een aparte taal spreken. Het is hun identiteit waar het om gaat, en dit slaat weer terug op hetgeen ik eerder aangehaald heb. We mogen eveens niet vergeten dat de sprekers, inmiddels meestal op leeftijd, en hun voorouders veel bijgedragen hebben aan de Nederlandse maatschappij en dat het om minderheden gaat die al vanaf mensenheugenis in de nederlandse samenleving wonen en een grote sociale en maatschappelijke betrokkenheid met daden aan de dag gelegd hebben. Deze mensen hebben veel voor Nederland gedaan, en het is ook billijk dat Nederland voor hen veel doet, o.a. beginnende met het voorzien van officiële erkenning van de taal van de mensen en hun identiteit. De overheid heeft een taak om bevestiging aan de mensen te geven over hetgeen dat zij altijd al geweten hebben: Zij bestaan, en zij hebben gelijke rechten. De sprekers zoeken erkenning, en dat is precies wat we zagen met de emotionele reacties die loskwamen in 2018 toen we geleerd hadden om deze talen te spreken. Er ging voor de mensen een wereld open en hun harten werden diep geraakt (lees hier). De erkenning van de taal hoort bij de geestelijke zorg die de overheid te voorzien heeft (zie het einde van dit artikel over het internationale verdrag met betrekking tot genocide). De voorgenoemde talen zijn een stukje eigenheid van de mensen (lees hier), en mensen horen in hun waarde gelaten te worden, wat ook op meerdere manieren door het Nederlands recht beaamd wordt. Het beschermen van de waardigheid van de mens is wat Nederland tot rechtsstaat maakt; de bescherming van de mens, dus het hem in zijn waarde laten, is bij wet op allerlei manier vastgelegd in Nederland. Uiteraard berooft de ontkenning van een taal de mensen van een belangrijk deel van hun levensgeluk, terwijl de erkenning juist leidt tot groter geluk (lees ook dit artikel, dit artikel, dit artikel en dit artikel).

Het zijn waardevolle talen die behouden horen te worden omdat ze als talen inspiratie geven. Er is een cultuur onlosmakelijk mee verbonden. Je kunt dus de taal niet los van de geschiedenis zien, waarin het volk, de drager van de cultuur, zich ontwikkeld heeft. Vorig jaar schreef ik in een Schiermonnikoger artikel over oorspronkelijkheid: ‘Min het de taal beeuwd mooi eurspronkelikheid en as dy fedwiint, dan is de taal al daid. Fetaling is derom de fekeersde wiize om in fraimden taal tò leren.’ Als je de talen echt goed wil leren, dan moet je geen vertalingen maken (zie hier en hier) en je moet je juist durven overgeven aan de taal zodat het je een bepaalde richting op kan sturen (zie hier). Talen beïnvloeden je wereldbeeld (zie hier) en deze twee zaken zijn zo nauw verbonden dat we kunnen spreken als taal en wereldbeeld als een geheel (waar de opmerking van A. de Jong ook op slaat). Ik merkte in 2018 op dat het een bijzondere werking op mijn brein had. Ik merkte dat ik een apart gevoel kreeg in mijn hoofd en dat ik veel scherper geworden was met mijn aandacht en beter in het verwerken van grote hoeveelheden informatie. Ik merkte hierbij op dat het leren van Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindeloopers voor mij dezelfde voordelen had als het leren van andere vreemde talen. Door deze waarnemingen heb ik de literatuur over meertaligheid erop na geslagen en vind ik dat wat ik ervoer in mijn brein alleszins begrijpelijk was als resultuut van het leren van drie talen. Het zorgde niet voor talenverwarring zoals veel mensen bang voor waren (lees hier) en juist in tegenstelling tot de algemene volksverwachting dat veel talen leren alleen maar ertoe leidt dat je ze gaat verwarren hielp het leren van deze talen mij om steeds beter alle talen te kunnen onderscheiden en verschafte het mij nieuwe kennis over taal en het leren van talen (lees hier en hier). Eveens kwam ik erachter doordat ik de literatuur en wetenschappelijke studies erop nageslagen heb dat er waarschijnlijk geen verschil bestaat tussen taal en dialect in het brein (lees hier), wat voor mij bevestigde dat dialect een soort fictie is die onder veel mensen nog in zwang is. Met het woord ‘dialect’ is een zeer onwetenschappelijke, negatieve lading van lagere sociale status geassocieerd. Het is op zich al een discriminerend woord. Men denkt negatief over dialecten (lees hier, hier en hier). Ik citeer mezelf uit een artikel over waarom men de Friese talen in Nederland onterecht dialecten noemt: ‘De sprekers van voorgenoemde talen vinden dat zijzelf talen spreken, en zo is het ook met de drie Friese talen die nu internationale erkenning gekregen hebben. Sprekers van het Noors horen niet graag dat ze een variant van het Scandinavisch spreken en sprekers van het Afrikaans horen niet graag dat ze een variant van het Nederlands spreken, deze zaken liggen erg gevoelig omdat zij ervan overtuigd zijn dat zij daadwerkelijk een eigen taal spreken en vandaar wordt ‘dialect’ en ‘variant’ als beledigend gezien en ervaren. (Vroeger zei ik altijd dat Afrikaans en Fries dialecten waren vanuit mijn Nederlandstalig perspectief. Echter, de sprekers waren altijd stellig overtuigd dat dit niet zo was. Vandaar ben ik maar op onderzoek uitgegaan en sindsdien bejegen ik Afrikaans en Fries niet meer als dialecten ondanks het feit dat ik ze al redelijk kon verstaan. Taal blijkt echter complexer te zijn dan verstaanbaarheid. Fries heb ik dus in 2016 geleerd en Afrikaans staat ook op mijn verlanglijstje.)’ (Zie ook dit artikel.)

Terwijl het Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindeloopers niet afstammen van het Standaardfries, spreken sprekers van het Standaardfries praktisch nooit met sprekers van het Oosterschellings, Schiermonnikoogs en Hindeloopers; er is een werkelijke taalbarrière (zie hier en hier). Het kostte heel veel moeite, tijd en inspanning om de talen te leren in 2018 en daarom vinden wij absoluut niet dat wij dialecten geleerd hebben. Ik zei altijd: Wij hebben in 2018 geen dialecten maar talen geleerd. Immers, de talen waren niet goed te begrijpen en verstaan vanuit het Standaardfreis dat we al kenden; de talen vereisten echt een aparte studie, en zodoende wisten we dat we te maken hadden met een Friese taalfamilie en geen dialecten van een enkele Friese taal. Overigens zijn het talen omdat ze gehele woordenboeken hebben die wij sinds 2018 regelmatig doorspit hebben om telkens overweldigd te worden met een weelde aan woorden om nog te leren (lees hier). Dan kan er nog een economisch argument gemaakt worden waarom het goed is ze als talen aan te merken: Elke taal is economisch gelijk in de zin dat iedere taal geld op kan leveren. Een goede econoom kijkt niet alleen naar de investering, maar naar de opbrengst. Talen brengen altijd veel op omdat er een enorme wereldwijde belangstelling is voor talen en culturen. Misschien brengt het Engels wel meer op dan het het IJslands, dat door minder mensen gesproken wordt dan het Standaardfries in Nederland, maar toch brengt het IJslands geld op doordat mensen geïnteresseerd zijn in de sprekers, hun volkscultuur, hun volksgeschiedenis, enz. Natuurlijk is de werkelijke waarde van een taal en cultuur – net zoals bij een kunstwerk – moeilijk uit te drukken in geld. Je kunt niet zomaar een prijskaartje aan een gevoel hangen. Aangezien dit het geval is, zijn talen en culturen een eindeloze bron van geld; het ligt puur aan creativiteit en motivatie, mits andere factoren zoals taalontkenning en dialectbestempeling niet in de weg zitten.

Taalbewustzijn wordt meestal gebruikt als betrekking hebbend op de geletterheid van kinderen. Echter, ik gebruik het woord in de zin van ‘het bewust zijn (van het belang) van de taal, het liefst op zo een manier dat dit zich natuurlijkerwijs vertaalt naar taalbehoud’ (wat een een zeer ongebruikelijke desalniettemin voor de hand liggende interpretatie van het woord is dat ik in verband met de bijzondere geschiedenis van de geschreven Hindelooper taal gehanteerd heb). Voor elke taal had ik in 2018 een specifiek thema: Taalbewustzijn was een groot thema tijdens onze toespraak te Hindeloopen in 2018 en onze interviews omtrent Hindeloopers (zie hier en hier). Opmerkelijk dat Siebren Dyk, die tijdens onze toespraak aanwezig was in 2018, dit thema (en een paar andere thema’s die ik in 2018 aangehaald heb) overgenomen heeft voor zijn interviews in 2019 in verband met de uitgave van een nieuw Hindelooper woordenboek (zie hier en hier). Ik citeer mezelf uit een onuitgegeven verslag dat ik met wetenschappelijke bedoelingen voorgedragen heb te Hindeloopen in 2018: ‘Het Hindelooper taalbewustzijn is […] geboren, en vanaf dit moment, dus na de ramp van 1666, begint men zich bewust bezig te houden met de Hindelooper taal, wat uitmondt in het opschrijven van de taal.’ Mijn argument was in 2018 o.a. dat men een taal niet opschrijft als men ook niet bewust is van het belang ervan (een vorm van bewustzijn gaat logischerwijs vooraf aan het opschrijven) en vandaar beargumenteerde ik dat het Hindeloopers opgeschreven is in de 17de eeuw door een taalbewustzijn, wellicht aangewakkerd door historische gebeurtenissen uit die tijd waaronder de ramp van 1666 waarbij ook Hindelooper schepen betrokken zijn geweest, althans volgens de oudst geschreven Hindelooper tekst. Hindeloopers kunnen zich, vooral bezien de religieuze tijdgeest van de 17de eeuw, als goddelijk uitverkoren gezien hebben om hun taal te behouden, want je schrijf het ook op wetende dat wat je opschrijft vereeuwigd en daarmee behouden wordt (hetgeen men zich zeker in de 17de eeuw goed van bewust was, het waren geen domme lui die niet begrepen dat schrijven een zekere vereeuwiging inhield en het zou vreemd zijn als men destijds iets opschreef zonder te weten dat dit voor alle eeuwigheid was want dit had tevens een religieuze betekenis, nl. het eeuwige geschreven woord zoals in de bijbel wat zeker destijds gezien werd als een voorbeeld van geschreven eeuwigheid). Mijn beeld dat opschrijven en taalbewustzijn samengaan werd nogmaals bevestigd toen ik dit jaar het Saterlands bestudeerde (zie hier). Ik citeer mezelf: ‘The ‘first Saterlandic poet’ and playwright Gesina Lechte-Siemer (1911-2007), who had as a young girl learned how to write Saterlandic by adopting the spelling of the cultural historian Julius Bröring (1867-1947) as observed in his Saterlandic wordlist that was published in his 1901 work Das Saterland: Eine Darstellung von Land, Leben, Leuten in Wort und Bild,second volume, and later became close with Margaretha Grosser (born 1934), had established herself as a pre-war pioneer in Saterlandic literature when her play Louts Hinerks Tjoue was published in 1934. She was firmly convinced that Saterlandic had to be preserved with the help of writing.’

Er is rechtvaardigheid nodig voor de kleine talen omdat het de kanaries in de kolenmijn zijn (lees hier). De ontkenning van de volksidentiteit verbonden met taal schendt mensenrechten op grond van ontzegging van gelijke behandeling (zie hier). C. Roggen, wiens werkgeest voortleeft in ons, zei zelf in zijn Oosterschellinger woordenboek: ‘[A]s un taal wei is, don is ik et folk-as-folk wei.’ Wij doen de medemens een heleboel leed aan, o.a. (culturele) genocide, indien wij geen begrip hebben voor zijn belevingswereld en daar de logische conclusie niet aan verbinden dat hij behoefte heeft aan die belevingswereld, d.w.z. het bestaan van het volk als volk (zoals Roggen dat mooi verwoordde). Die belevingswereld is een volksreligie en daarom kan het geschaard worden onder het verbod op ongelijke behandeling van identificeerbare religieuze groepen. De Oosterschellingers, Schiermonnikogers en Hindeloopers zijn vanouds identificeerbare religieuze groepen omdat zij geloven in hun eigen belevingswereld, nl. dat zij bestaan als Oosterschellingers, Schiermonnikogers en Hindeloopers en dit bestaan mag hun volgens het internationale verdrag aangaande genocide niet ontnomen worden en elke poging daartoe – zij het bedoeld of onbedoeld – is strafbaar bij wet. Ik ben misschien geen moraalridder, maar ik heb wel principes, waaronder het grondbeginsel dat eenieder zich moet houden aan wat wij afgesproken hebben in de maatschappij, anders is het einde gewoon zoek en geldt ons rechtssysteem niet meer, hetgeen samen zou hangen met het einde der beschaving, en vandaar moet men de beschermende kant van het recht ook doen gelden voor kwetsbare groepen zoals de Oosterschellingers, Hindeloopers en Schiermonnikogers die allemaal volgens hun eigen belevingswereld eigen talen spreken (dit feit alleen al kan een grond zijn om vraagtekens te zetten bij mensen die deze taalgemeenschappen bestuderen zonder dat zij de taal vloeiend kunnen spreken en daarmee goed op de hoogte zijn van de belevingswereld der sprekers, hetgeen ook een levende zorg is bij de Nieuw-Zeelandse Māori als mensengroep). Confucius, de Chinese wijze die een sterk voorstander was van beschaving, zei al te zijner tijd (5de/6de eeuw voor christelijke jaartelling): ‘Doe een ander niet aan wat je ook niet wil dat met jezelf geschiedt.’

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s